Van een luie fietser op een Alp.

In de zomer van vorig jaar ging voor clublid Jasper Post eindelijk een oude wens in vervulling: fietsen in het hooggebergte. In zijn dertienjarige carrière op de fiets was dat er nog nooit van gekomen. En het zal er waarschijnlijk ook nooit weer van komen…

Een luie fietser

Ik ben een luie fietser. Dat fenomeen is u niet bekend? Nou, er zijn er ook maar weinig volgens mij, of je moet wieltjeszuigende linkeballen meerekenen. Bovendien heb ik de term zelf verzonnen. Waar het op neerkomt is dat ik fietsen leuk vind, zo lang het niet te zwaar is. Het moet me gemakkelijk afgaan. Ik hou van soepel rijden, van iets overhebben. In het rood gaan, afzien, verzuren, dat is allemaal niks voor mij. Dat is niet altijd zo geweest. In mijn eerste jaren als fietser kwam ik na iedere rit – zondagse tocht of trainingsritje – gesloopt huis. Het moest altijd harder, verder en gekker. De basis van de luiheid ligt denk ik in 1994. Na een waanzinnige voorbereiding (ik geloof iets van 5.000 km) reed ik voor het eerst L-B-L. Ik vloog over de 246 kilometer als was het een rondje Bodegraven en had echt het gevoel dat ik mezelf iets bewezen had. Met als gevolg dat het daarna voor mij niet meer zo hoefde. In 1995 was ik met een groepje op fietsvakantie in Zuid-Engeland. De Britten laten zich niet afschrikken door een heuveltje en asfalteren rustig hellingen van 25% en méér. We hebben het bagagebusje een keer teruggestuurd vanwege een 1:3 helling. Ik hou van klimmen, maar zulke steile wanden bedwingen is geen fietsen maar harken. Na een paar van die bulten was ik het spuugzat en omdat het harkend toch niet harder ging dan wandeltempo, ben ik de volgende steile jongens lopend opgegaan (lang leve SPD). Niet omdat ik het niet kón, maar omdat ik er de lol niet van zag. In de jaren daarop werd de luiheid erger. Ik zocht (en zoek) meestal liever een groep uit waarin ik freewheelend meekom dan dat ik volle bak moet rijden in een sneller peletonnetje. Bij trainingsritjes schep ik er vooral plezier in om een hoog gemiddelde te halen zónder echt moe te worden. Ik heb wel plezier in kopwerk doen en klimmen, zo lang ik maar niet in het rood hoef te rijden. Zie daar de luie fietser.

Een Alp

Reeds sinds mijn eerste racefietskilometers – als jochie van 13 – droomde ik van de Alpen. Dáár te rijden, heroïsch, in het spoor van mannen als Bugno, Chiapucci, Breukink (met Rooks en Theunisse heb ik nooit veel gehad), dat beheerste mijn dromen. Maar ik was jong en had niet het geld en de mogelijkheden om het te doen. Dus wilde ik gaan zodra ik ‘groot’ was. Maar ja, toen werd ik groot, en er kwam een eigen auto, maar tegelijkertijd ging het fietsen op een laag pitje. Na enkele zeer magere jaren pakte ik vorig jaar de draad weer op, en aangezien de vakantie mij via Zuid-Frankrijk naar Spanje zou voeren, kwam het idee van fietsen in de Alpen weer boven. De jongensdroom kon eindelijk in vervulling gaan! Ik moet eerlijk zeggen dat ik, gezien mijn status van ‘luie fietser’, van tevoren wat twijfels had, maar hé: ik hield toch van klimmen!? En zo zette ik in juli 2002 mijn tentje neer op een schitterende camping op 2 kilometer van de voet van Alpe d’Huèz. De kampeerplaats was prachtig verzorgd, schoon, beschikte over een keurig zwembad met aan twee kanten een sprookjesachtig uitzicht op de Alpen en was vreemd genoeg praktisch leeg. Ik poedelde dus wat in mijn privézwembad (er was verder niemand) en klom de volgende dag op de fiets om maar eens te beginnen met Les Deux Alpes, een kilometertje of tien verderop. Bijna direct vanaf de camping begon de weg al flink omhoog te lopen en na een kilometertje of drie zat ik reeds op de (42x)28, het kleinste verzet dat ik bij me had. Op de provinciale weg! Toch ging het klimmen hier best lekker. Na een wat vlakker stuk haalde ik op een helling een fietser in die duidelijk over minder klimtalent beschikte dan ik. Die zat echt al flink te puffen. Ik liet hem achter me en sloeg even later af naar Les Deux Alpes. Eenmaal in de klim, begon ik het snel minder leuk te vinden. Het ging namelijk pijn doen en, zoals reeds verteld, daar hou ik dus niet van. Bovendien loopt onder zulke omstandigheden je hartslag snel op. Ik beschik niet over een hartslagmeter, maar ik schat dat ik na een tijdje ronde de 800 zat. En zo’n in je keel bonkend hart, daar kan ik heel slecht tegen. Ik vind het een eng gevoel. Ik ga nog liever naar de tandarts. Na een paar kilometer stopte ik dus maar even om de bloedpompmachine tot rust te brengen. Toen ik na een korte pauze weer wilde opstappen, zag ik ver beneden me de fietser die ik eerder had ingehaald. Hij wilde hier dus ook naar boven!

Het Alpendorp

Bij mij werd het gevoel dat ik naar boven wilde met de minuut minder. Aangezien ik het klimmen als zodanig helemaal niet lekker vond, ging ik mezelf de vraag stellen waarom ik dán tegen die berg op aan het ploeteren was. Dat moet je dus nooit doen. Helemaal fout. Je kunt net zo goed gelijk je fiets te koop zetten. Toch haalde ik uiteindelijk de top van Les Deux Alpes, na nog twee pauzes om mijn hart weer in het gareel te krijgen. Op de top vond ik echter niet de het antwoord op de vraag die ik mezelf onderweg naar boven zo vaak gesteld had. Ik trof er een treurig toeristendorp met krakende luidsprekers die de Franse variant van Sky Radio uitbraakten, rommelige winkeltjes met lullige souvenirs en busladingen in joggingbroek en slippers gehulde toeristen, die op mij niet de indruk maakten dat ze het hier nu echt naar hun zin hadden. Ik heb het toch nog een half uurtje uitgehouden daarboven – ik had er tenslotte hard genoeg voor gewerkt om er te komen. Toen ik opstapte om aan de afdaling te beginnen, kwam die andere fietser net boven. Dus kon ik mezelf onderweg naar beneden een andere vraag stellen: waarom was hij hier in godsnaam aan begonnen? Mijn plan om na Les Deux Alpes gelijk Alpe d’Huez te bedwingen wisselde ik in voor een heerlijke duik in het wederom verlaten zwembad.

De Alpe d’Huez

De volgende ochtend kroop ik met frisse moed uit mijn tent om aan Alpe d’Huez te beginnen. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Ik maakte eerst wat kilometers op het vlakke om warm te worden en reed vervolgens de weg naar Alpe d’Huez op. Aan de voet van de berg haalde ik drie jongens in, twee op een racefiets en één op een mountainbike, alledrie in gewone zomerkleren. Gingen zij tegen deze berg oprijden!? Ze zagen eruit alsof ze al moeite zouden hebben met 14 kilometer vlakke weg! Ik ging terug naar de 42×28 en zocht naar een goed klimritme. De meeste fietsers zullen wel weten dat bij ‘de Nederlandse Alp’ het eerste gedeelte gelijk het steilste is. In bocht twintig stond ik dan ook alweer stil omdat mijn hart probeerde tegen mijn voortanden te slaan. Na een minuutje was de hartslag weer binnen het redelijke, maar ik kon mezelf er niet toe zetten om weer op te stappen. Wat was hier de lol van? Ik treuzelde zo lang dat de eerste van het trio korte broeken er al aankwam. Zijn maten zwalkten ergens in de verte van links naar rechts over de weg. De jongen bereikte de bocht en mompelde in het voorbijgaan tegen mij: “C’est fou.” Frans was bepaald niet mijn beste schoolvak, maar dit kon ik nog wel vertalen tot “dit is gekkenwerk”. ‘Je hebt gelijk’, dacht ik, en draaide mijn fiets om…

Nooit meer een Alp

Ik ben nog nooit een fietser tegengekomen die in de Alpen had gereden en vertelde dat hij het niks vond. Ze zijn allemaal even lyrisch en als ze al toegeven dat ze het klimmen zelf niet lekker vonden, dan gaat het wel over het heerlijke gevoel van de top halen, de prestatie, jezelf overwinnen enzovoort. Nou, bij deze dan: ik vond er geen zak aan! Maar dat had u al begrepen. Misschien had ik wel een nog kleiner verzetje mee moeten nemen dan die 42×28. Misschien speelt mee dat ik nog niet de conditie had die ik van vroegere jaren gewend was. Misschien moet je zo’n klim met een groep doen, zodat je elkaar kunt opjutten. Maar uiteindelijk komt het gewoon hier op neer: zelfs voor een goede klimmer is het beklimmen van een Alp afzien, en dat is niks voor een luie fietser zoals ik.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *