Nachtegalen in de wind – Den Helder Pijnacker 2003.

“Dit was denk ik wel de zwaarste Den Helder – Pijnacker die ik ooit heb gereden”, zei ik tegen de moeder van Gerben die bij Het Baken stond te wachten tot haar zoon zou arriveren. “Ja, die wind hè, die is wel stevig”, knikte ze mij begrijpend toe. De dramatiek deed het wel goed, maar de werkelijkheid was dat het mijn eerste en enige Den Helder – Pijnacker was tot nu toe. Dus per definitie mijn zwaarste, ongeacht het weer. De werkelijkheid was ook dat het me eigenlijk wel meeviel, ondanks de inderdaad harde wind, en opmerkingen uit het pelotonnetje dat deze tocht inderdaad wel tot de zwaardere behoorde.

Ondanks de heroïsche verhalen onderweg, over sneeuw en hagel in combinatie met zuidwesters, met name in het beruchte jaar 1992, die deden vermoeden dat Den Helder – Pijnacker 2003 een peulenschil was in vergelijking met sommige andere edities.
Door Jan Paul van Soest

Eerstejaars lid van de Toerclub, dan moet je ‘DH-P’ hebben gereden, vind ik. Hoewel ik tot nu toe bijna iedere zondagochtend mee geweest ben, en de ritten rond 110 kilometer prima verliepen, wist ik natuurlijk niet wat ik moest denken van 150 kilometer. Wat ik wel dacht was: allemensen, wat moeten we vroeg vertrekken. Vijf uur het bed uit op de zondagochtend, daar zag ik eigenlijk nog meer tegenop dan tegen de afstand. We schrijven de zaterdag voor DH-P. ’s Middags de fiets inleveren, een oude slaapzak is er goed voor. Toercommissaris Hans helpt de allernieuwste, maar ook de tien jaar oude modellen in ontvangst te nemen en in de vrachtwagen te zetten. Kleurrijke lintjes markeren de groepsindeling. “Je zit in een leuke groep”, vindt Hans. “Ja, zeker omdat jij er zelf in meerijdt…”.

Point of no return

We schrijven zaterdagavond. Na een copieus dineetje met vrienden – erg handig om dat af te spreken aan de vooravond van een klassieker – werp ik een blik op teletekst, om de weersverwachting te bekijken. Aantrekkende wind, maar wel redelijk, zo lijkt het. We schrijven zondagochtend, bij het krieken van de dag. Een allerlaatste blik op teletekst. Het beeld ziet er ongunstiger uit dan gisteravond: windkracht 5 à 6, pal uit het zuidwesten. Kans op buien. Oei. Waarom is niemand op het idee gekomen om Pijnacker – Den Helder te rijden in plaats van het omgekeerde bij stevige zuidwestelijke winden? Vooruit, het point of no return is bereikt – ik ga nu mee, of ik wil of niet. Willem ontpopt zich in de bus naar Den Helder als wandelende – of in dit geval zittende – encyclopedie van de Tour de France. Noem een jaartal en hij weet winnaar en bijzonderheden. Hele archieven houdt hij bij, en betrapt erkende wielercommentatoren als Jean Nelissen op tal van fouten in zijn boeken. Dat brengt de stemming er al wat, maar ik ben niet gerust op de goede afloop als ik de dreigende luchten zie, en vooral de hard zwiepende bomen die een woeste wind suggereren. Nou ja, suggereren… de woeste wind is geen suggestie maar de kille werkelijkheid, blijkt als we rond achten in Den Helder arriveren. Wie naar buiten stapt wordt door de snijdende wind bevangen. Fietsen pakken, koffie drinken in het clubhuis van wielervereniging Den Helder, en de groepen kunnen achtereenvolgens vertrekken.

Geluidsmuur

Een stevig briesje, inderdaad, en dan druk ik mij mild uit. Beuken tegen de wind in, aan de voet van de zeewering. We rijden eerst een gedeelte, tot Egmond, samen met een jeugdgroep, zodat enkele ervaren rotten de jonge honden uit de wind kunnen houden. Pet af, of beter helm af, voor de Pijnackerse wielerjeugd. Het tegen de wind in ploeteren moet heel wat jonge talenten tot wasdom kunnen brengen. Misschien fietste ik wel zij aan zij met een toekomstige winnaar van de Tour de France, speelt het door mijn hoofd. Leuke gedachte, ik zal hem opnemen in mijn memoires, onder de kop ‘Ik hield Maikel Hoogervorst uit de wind!’ of wie van de jeugdgroep zich dan ook als Tourwinnaar zal ontpoppen. Willem, je kunt je Tourboek van 2015 vast schrijven. We pikken na een twintigtal kilometers een afvaller op van een snelle groep; hij ziet groen en geel. Ziek. Met steun van ons peloton kan hij mee naar Velzen, dat is beter dan in je eentje door de wind beuken. En bij Egmond aan de Hoef, bij de eerste stempelpost, voegen zich nog twee renners bij ons die ergens onderweg het spoor bijster zijn geraakt. Nootdorpse kipspecialisten, volgens hun shirts, met een in dito kleuren gespoten Santosfiets die de dame van de twee toebehoort. Versterking van een paar kipspecialisten kunnen we wel gebruiken: hoe meer zielen, hoe meer windscherm. De jeugd fietst na Egmond verder apart met eigen begeleiders, op een enkele jong talent na. En verder gaat het, met de loeiende wind in de oren. Er wordt weinig gesproken. Zinloos met dat gebrul; de woorden verwaaien in de storm. “Er zitten hier nachtegalen”, roept Aart me toe. “Normaal kun je ze prachtig horen”. Maar ze worden nu bedolven onder de geluidsmuur van windkracht 5 of 6. Ik heb mij voorgenomen de eerste helft van de rit voor alle zekerheid maar geen kop te doen – sorry fietsmaten, maar ik weet niet wat ik kan verwachten, 150 kilometer is een hele afstand, geen idee wat ik aankan. Wie kent immers niet de verhalen over de beruchte ‘man met de hamer’ die verder fietsen onmogelijk maakt. Maar het valt mee. De enige hamer die we tegenkomen is de Blauwe Hamer, een naar mij wordt verteld illuster gezelschap van fratsenmakers uit Nootdorp, die ongetraind, maar wel met bier en shag, Den Helder – Pijnacker fietsen. Ongezond, maar wel knap: knap ongezond, dus. Een tussentijdse tekst bij een stempelpost, van het opvallendste Blauwe Hamerlid, die Tinus blijkt te heten: “Heb ik net een nieuwe fiets, doen mijn poten het niet meer!”. Pure folklore, die Hamer.

Fietsen zonder zadel

Na Velzen ben ik nog redelijk fris, en kan mijn bijdrage in het kopwerk alsnog leveren. en bescheiden compensatie voor wieltjeszuigen tot de veerpont. De zieke en een deel van de jeugd haakt af, en gaat met de bezemwagen mee. Ook Maikel, hoor ik. Volgend jaar een nieuwe kans, anders zal ik mijn memoires moeten herschrijven. Dan komt het beruchte Kopje van Bloemendaal in zicht. Een kort, maar venijnig klimmetje, een metertje of dertig hoog, waar een paar oude rotten bijna even soepel omhoog gaan als het jeugdlid dat zijn lichte verzet van Lance Armstrong zelve heeft afgekeken. Woesj woesj woesj, en weg is ‘ie. Bij de stempelpost wordt een aantal van ons gevraagd te wachten op de jeugdgroep, om te helpen de jongeren uit de wind te houden. Nootdorpse Jan, Bob, Hans en Marloes geven gehoor aan de oproep. De karavaan trekt voort. Zandvoort. We draaien net de boulevard op. Geroep van achterin het pelotonnetje. Lek, raad ik. Maar nee. Beteuterd staat Delftse Jan naast zijn fiets, waar geen zadel meer op blijkt te zitten. De bout die het ding op zijn plaats moet houden is geknapt. De toestand lijkt hopeloos. Zonder zadel fietst het althans tamelijk lastig, lijkt me. Ik krijg een associatie met een tekening van de inmiddels overleden cartoonist Yrrah, die eens een tekening heeft gemaakt van een voluptueuze dame met een zeer korte rok, die met haar fiets voor een stoplicht wacht. Nadere inspectie van die tekening leert dat het zadel ontbreekt… De suggestie om op die manier verder te rijden wijst Jan resoluut van de hand. Wat dan? De wonderbaarlijke gereedschapskist van Aart brengt verlichting: laat hij nou precies zo’n boutje bij zich hebben als nodig is om het zadel weer in zijn oorspronkelijke positie te monteren? Een beetje pielen en klooien, en we kunnen weer verder. We zetten de sokken er wat meer in, en kunnen de Blauwe Hamer weer inhalen, die van onze pitsstop in Zandvoort gebruik heeft gemaakt om een voorsprong te nemen. Door het duingebied van De Zilk gaat het nu strak in het gelid naar Noordwijk, Katwijk en de Wassenaarse Slag, stempelen bij Adrie. De pauzes worden steeds korter; het is niet prettig met de inmiddels aardig warmgedraaide spieren lang te rusten. Door Wassenaar langs wat woningen van de minvermogenden van Nederland, en Pijnacker komt in zicht. Blijkbaar heeft er nog iemand iets te veel energie overgehouden, het tempo wordt nog even flink opgeschroefd. De kreten ‘hè, tandje!’ verwaaien in de tegenwind. Of als het tempo even zakt, gaat het na een minuutje of twee weer naar de oude snelheid terug. Pijnacker heet ons welkom met het ellendigste fietspad van de regio, langs de Vlielandseweg. Burgemeester, doe uw plicht, in het belang van de Pijnackerse wielergemeenschap. We landen bij het Baken. De wind suist nog een half uurtje na in de oren. “Goed gefietst”, bromt Aart. “Goed gefietst”. Vind ik eigenlijk ook wel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *