In de remsporen van De Renner.

Augustus 2003
St. Maurice de Sorgues, Frankrijk, 30 kilometer ten zuiden van Millau. Kleinere en onbeduidendere gehuchten zijn nauwelijks denkbaar. In een valleitje dat Toon Hermans als Niemendalletje zou hebben omschreven. Bij noordwestelijke wind moet je de blauwe schapenkazen kunnen ruiken. Die liggen op een steenworp afstand in Roquefort in eindeloze kelders opgetast. We zitten aan de rand van de Cevennen. Om ons heen bergen van 600-1000 meter hoog, die me allemaal aankijken alsof ze graag befietst willen worden.

Dat ben ik dan ook wel van plan. Op 90 kilometer afstand lonkt de Mont Aigoual, het decor waar Tim Krabbé’s De Renner zich afspeelt – verplichte kost voor elke fietsliefhebber. Wie weet – als ik ‘goeie benen’ blijk te hebben, en de route erheen is een beetje te doen, dan laad ik op zekere morgen mijn fiets op de auto, rijd een eind die richting op, en beklim de Aigoual. Eerst maar eens zien hoe het me hier in de buurt afgaat, ochtendtochtjes vanuit onze luxe ‘villa la mouline’. Vrouw en kinderen rijden paard, ik fiets – hoe sterk is de eenzame fietser? Om de twee, drie dagen een kilometertje of 70, heb ik me voorgenomen.

Monter en fris

De eerste fietsdag ben ik, zoals ook steeds bij de zondagochtenden van Toerclub Pijnacker, nog voor de wekker van zeven uur wakker. Wonderlijk. Uitslapen ging van oudsher altijd probleemloos (hoewel, de laatste jaren ook al niet meer zo), maar als er gefietst moet worden staat deze jongen monter en fris om tien voor zeven naast het bed. Kopje thee zetten, stokbrood naar binnen werken, achterzakken volproppen met banaan, koffiebroodjes en koeken, bidon vol water en wegwezen. Hoewel de zon de afgelopen dagen uitbundig heeft geschenen, is het vandaag zwaar bewolkt. Het ziet er zelfs naar uit dat er regen gaat vallen. Maar het is wel behoorlijk warm. Ik neem mijn regenjackje maar bewust niet mee – we gaan de weergoden uitdagen. Trouwens, als je met deze temperaturen met regenjack aan rijdt, word je waarschijnlijk natter dan wanneer je door de regen stampt zonder jackje aan. Het is zondagochtend, en nog vroeg. Er staat een lichte dalwind. Het schijnt hier altijd te waaien, vertelde Guido, de baas van onze villa, een gîte, en een kleine camping met 6 staanplaatsen aan de Sorgues. Kan lekker zijn als het bloedheet is, zo’n windje. Het is kwart voor acht; nog geen sterveling op straat, enkele rondscharrelende huisdieren niet meegerekend. Ik zet koers naar Fondamente, een gehucht met een Italiaans aandoende naam een paar kilometer stroomopwaarts aan de Sorgues, en daar rechts de D93 omhoog naar wereldstad Le Clapier. Een aangename klim, een metertje of vierhonderd omhoog. Prettig om te merken dat ik het nog steeds zonder triple redt; ik hoef niet eens terug naar mijn eerste verzet.

Eigen vleeswaren

Ik merk dat ik de afgelopen maanden de nodige conditie heb opgebouwd door elke zondag op pad te gaan met de Toerclub. Als ik me herinner hoe mijn eerste tochtjes in de vakantie de vorige jaren uitpakten, dan heb ik nu de stellige indruk dat het me allemaal makkelijker en lichter afgaat. Dat moet ook haast wel; ik heb al heel wat kilometertjes in de benen. Dat is in elk geval merkbaar op het vlakke, waar ik duidelijk meer tempo kan maken dan in de afgelopen jaren, maar het is ook in de klim wel te voelen. Al blijft klimmen een vak apart. Een echte ‘grimpeur’ zal ik op mijn leeftijd wel niet meer worden, iemand die kilometers lang staand op de pedalen omhoog knalt. Ik blijf liever in het zadel, in een gestaag ritme doorduwend omhoog. De kracht heb ik nog wel, van de vele fietstochten in mijn studententijd, door de Auvergne, de Pyreneeën, de Alpen. Met 15 kilo bagage, nota bene. Daar krijg je wel dijen en kuiten van. Ik heb het nu eigenlijk net zo zwaar als toen, realiseer ik me: ik ben immers sindsdien een kilootje of 12 aangekomen… Wat ik vroeger aan bagage mee naar boven nam, de Aubisque op, neem ik nu aan eigen vleeswaren mee. En ik ga nu ook gemakkelijk omhoog. Ergo, de jaren hebben geen vat op me, maak ik mezelf wijs, terwijl Le Clapier nadert. Of beter: terwijl ik Le Clapier nader, want het gehucht zelf blijft netjes op zijn plaats liggen.

Abdijkoffie

Afdaling naar Ceilhes. Geen bar waar ik even een kop koffie kan pakken. Door omhoog dan maar, de Col de Notre Dame op. Er staat zowaar een bordje aan de voet van de col, om aan te geven dat men hier een col op gaat rijden. Zo mag ik het zien. Weer 250 meter omhoog naar 668 meter, met een heus bord op de top. Spetters, ik voel spetters. Had ik mijn regenjack niet toch mee moeten nemen? Ik zag de bui immers al hangen? Maar het blijft bij een paar spatten; hier word je niet nat van. Door naar beneden, door Cenomes (geen koffietent), Laroque (geen koffietent) en Fayet (wel een bar, maar gesloten). Door naar Camarès, waar ik doorheen zoef. In mijn ooghoeken neem ik een bar in vol bedrijf waar, maar pas enkele seconden later dringt het tot mij door dat ik daar dan koffie had kunnen drinken. Ik ben inmiddels echter al weer de hoek om, en heb geen zin om te keren. Dom, want nu is de kans op koffie zo goed als verkeken – de vlekken op de kaart die ik nu nog zal passeren zijn kleiner dan alles wat ik heb gehad, en als daar al geen bars waren, dan al helemaal niet in de Lieu-dits die ik nog zal aandoen. Ik ben inmiddels weer aan het klimmen als de spijt toeslaat. Maar omkeren tijdens een klim, en dan weer opnieuw aan dezelfde weg omhoog beginnen? Dat nooit. Goed, dan maar zonder koffie deze fietstocht afmaken. Plotseling een klein wonder: Sylvanès blijkt een eeuwenoude abdij te herbergen (in wezen is Sylvanès niets anders dan die abdij), die dagelijks tientallen toeristen trekt. Tegenover de abdij bevindt zich een bar met terras, en in die bar is uitstekende koffie verkrijgbaar. Zoals de abdij in vroeger tijden beschutting en onderdak moet hebben geboden aan rondtrekkende kooplieden en pelgrims, zo geeft zij nu de mogelijkheid aan eenzame fietsers zich te laven aan een grand café noir. En de mogelijkheid de bidon te vullen, die op een paar slokken na leeg was. De laatste klim omhoog, en daarna via heuse haarspeldbochten naar beneden, het dal van de Sorgues weer in. Nog negen kilometer, en we zijn weer bij Villa la Mouline. De teller wijst bij aankomst precies 80 kilometer aan. Ik voel me nog redelijk fris. Geen slechte start van de vakantie.

Lauw teer

Voor de volgende dag heb ik een kort tochtje op het programma staan, ongeveer 60 kilometer. Om een beetje bij te komen. Tenminste, dat denk ik bij het begin… Maar als na 10 kilometer de weg omhoog gaat naar Cornus blijkt dat ook korte tochten zwaar kunnen zijn. Niet zozeer door het stijgingspercentage, dat valt wel mee, maar doordat de lokale wegenbouwonderneming net bezig is de weg te asfalteren. De lauwe teer schittert op sommige plaatsten nog door het losliggende grint heen, dat aan mijn banden blijft kleven, en het bergopwaarts rijden een extra dimensie geeft. Wat te doen – doorrijden, of omkeren? Nog twee kilometer op deze manier, zeggen de dwangarbeiders van de weg mij desgevraagd. O.k., dat moet te doen zijn, doorrijden maar. Het is wel ploegen zo, maar uiteindelijk is er weer sprake van gewoon oud en ingereden asfalt. Dat fietst direct weer een stuk lichter. Verder omhoog na Cornus, langs de Tour des Aiguillons, de Causse du Larzac op, een van de hoogvlaktes van de Cevennen die doorsneden worden door diepe rivierdalen, zoals die van de Tarn en de Jonte. De bebossing houdt plots op, en ik bevind mij bij het begin van zo’n hoogvlakte, waar van het ene moment op het andere de wind mij tegemoet waait. En wat voor wind – zelfs bij stukken afdaling moet ik nog stevig bijtrappen om nog vooruit te komen. Op vlakke stukken kom ik tegen de wind in niet veel verder dan 22 kilometer per uur, het bij dalen stokt de teller op 26, en als de weg stijgt en de wind blaast me recht in het gelaat is 12, 14 kilometer per uur het hoogst haalbare. En het punt is: de weg stijgt maar door. Ik kruip vooruit. Gelukkig kan ik bij een kruispunt links, waardoor ik de wind in elk geval niet meer pal tegen heb, maar schuin, af en toe tegen, en af en toe een beetje schuin mee. Ik klim door naar bijna 1000 meter. De rust (afgezien van het suizen van de wind) is heerlijk: een smal weggetje over de hoogvlakte, waar ik zegge en schrijve één auto heb gezien. En dan is daar plotseling de beloning voor mijn noeste arbeid: schuin voor mij vliegt een grote hoeveelheid roofvogels. Het moeten er tientallen zijn. Ze zijn nog te ver weg om te kunnen onderscheiden om wat voor vogels het gaat, maar ze moeten gigantisch zijn, dat is op deze afstand al wel te zien. Wouwen, gok ik aanvankelijk. Maar naarmate ik dichter bij kom wordt het duidelijker: het zijn gieren, en zeker vijftig, zestig stuks. Ze cirkelen hoog, maar velen laten zich ook van dichtbij zien, op hooguit 50 meter hoogte boven mij. Indrukwekkend, hun spanwijdte, hun aantallen. Het is goed dat gieren aaseters zijn, bedenk ik mij; als een stel roofvogels van deze omvang à la Hitchcock’s The Birds het op mij gemunt zou hebben, had ik geen schijn van kans gehad. Maar zolang ik niet doodga kan er niets gebeuren… De gieren zenuwen door mijn keel. Ik stap even af om het schouwspel beter te kunnen bewonderen. Gieren – het kan. Bij de Gorges de la Jonte zijn ze een tiental jaren geleden geherintroduceerd, nadat ze in Frankrijk waren uitgestorven. Er zit daar een speciaal observatorium, en de gierenkolonie heeft zich in de loop van de tijd uitgebreid. Toen we daar een paar jaar geleden waren, vertelde men ons dat de gieren vluchten maken van vele tientallen kilometers, en her en der ‘dependances’ oprichten. Mogelijk is de Causse du Larzac zo’n dependance van het oorspronkelijke nest aan de Jonte. Hoe dan ook: bijzonder is het wel. Dan, alsof ze het met elkaar hebben afgesproken, stoppen ze met cirkelen en zweven, en landen ze met elkaar op een paar rotsen, nog geen 500 meter van de weg. Wat ze daar doen? Wachten tot er wat aas beschikbaar komt? Tot een eenzame fietser ter plekke dood neervalt, zodat ze zijn lijk kunnen oppeuzelen? Of zouden het Roquefortschapen zijn die af en toe het loodje leggen en als prooi voor de gieren fungeren? Ik stap weer op; heb de wind nu schuin mee, en zet met een gangetje van 34 kilometer per uur koers richting Roquefort, al zal ik voordat ik de kaasstad bereik linksaf slaan. Eerst wacht mij nog een heerlijke afdaling, van 1000 meter naar een metertje of 600, naar Tournemire, waar weliswaar geen bar is (het is bar en boos met de koffie in deze streek) maar gelukkig wel een fonteintje met drinkwater om de bidon bij te vullen. Omhoog gaat het weer, naar misschien 800 meter, en daarna een fantastische lange, lichte afdaling, met eindelijk de wind vol in de rug, waardoor op een enkel stuk 65 kilometer per uur zelfs haalbaar blijkt. Fondamente, wederom, en nog even langs de Sorgues, tegen de wind in, en ik ben weer thuis.

Grootste kransje

De derde fietsdag, weer 80 kilometer op het menu vandaag. Een minuut voor de wekker stap ik het bed uit, en maak ontbijt. Iedereen nog in volle rust. Waarom doe ik dit eigenlijk, vraag ik mij vertwijfeld af. Maar als ik even later op de fiets zit is alle vertwijfeling spoorslags verdwenen. Het is nog fris, maar het belooft een warm dagje te worden. Strak blauwe hemel. Hier en daar al wat werklui aan de arbeid. De vertrouwde klim omhoog, bij Fondamente rechtsaf. Het gaat makkelijk vandaag. “Zijn grootste kransje was nog helemaal schoon”, maalt het door mijn hoofd. Waar komt die zin ook alweer vandaan? Tim Krabbé, De Renner. Het ging over Lucien van Impe. De mecaniciens keken na afloop van een wedstrijd bewonderend naar zijn fiets. Van Impe reed makkelijk vandaag – zijn grootste kransje was nog helemaal schoon. Van Soest rijdt ook makkelijk vandaag, en tot nu toe is zijn grootste kransje ook nog helemaal schoon. Dit maal bij Le Clapier niet rechtdoor, maar linksaf, nog verder omhoog. Ik sta even op een kruispunt, de kaart in de hand, om zeker te weten dat ik de goede weg insla; er stopt een auto met een lokale boerenschoonheid om te vragen of alles o.k. is. “Nee, ik ben volkomen gedesoriënteerd”, had ik natuurlijk moeten zeggen, om een praatje met haar te kunnen aanknopen, maar nee, deze sufferd zegt dat alles in orde is, hartelijk dank. Boerenschoonheid geeft gas, haar oude Peugeot bromt weg. Verder omhoog nu weer, en redelijk stevig ook. Af en toe even aanzetten, maar ik kan mijn grootste kransje schoon houden, tot op de top van de col de Licous, een kleine 750 meter hoog, en een mooi bordje met de naam van de col en de hoogte erop. Zou ik volgende keren niet toch mijn fotocamera mee moeten nemen? Het is eigenlijk zonde, die officiële cols te passeren zonder fotografisch aandenken. Moet kunnen, met de zelfontspanner. De afdaling. Zelf ontspannen gaat nog even niet, door de tegenwind. Het blijkt ook amper een afdaling te zijn – heel licht maar gaat de weg naar beneden. Of omhoog natuurlijk, het is maar net welke kant je oprijdt. Ik daal een klein stukje, maar daarna gaat het toch weer verder omhoog. Op weg naar een nieuwe col, col du Livre, 860 meter hoog. Stond niet op de kaart, maar toch mooi meegenomen. Dan pas begint de afdaling, maar niet lang. Geruime tijd rijd ik over een prachtige brede weg, die over een bergkam loopt. Links schitterende vergezichten – als die bergen er niet voor hadden gestaan had ik de Middellandse Zee kunnen zien – en rechts schitterende vergezichten. Die rotswand daar, dat moet de rand van de Causse du Larzac zijn.

Wrijvingsloos

Van sommige Franse wegen vraag je je in gemoede af voor wie ze eigenlijk zijn aangelegd. De D142 in de provincie Herault is zo’n weg. Glad asfalt, breed, en er rijd vrijwel niemand overheen, al probeert een reeks borden automobilisten die de files op de A75 bij Lodève zouden kunnen vermijden over deze route te lokken. Niemand heeft kennelijk gevolg gegeven aan de lokroep van de Itinéreaire Bis, de auto’s op de D142 zijn op de vingers van één hand te tellen. Rijdt heerlijk zo, over de bergkam, windje in de rug, wrijvingsloos 35 per uur. Ik moet op zeker moment rechtsaf, het dal in, de D138E2 op, dat klinkt veelbelovend. De schrik slaat me echter om het hart: de weg is net geasfalteerd, allemaal losse steenslag op nieuw asfalt, en het is allemaal nog niet ingereden. En dat met een daling! Een blik op de kaart – nee, een andere route nemen is zeker 30 kilometer om, dat gaat wel erg ver. Ik waag het erop, en zet uiterst voorzichtig de afdaling in, ga niet harder dan 20 kilometer per uur. Dit keer prijs ik me gelukkig met tegenwind tijdens de daling, zo blijft mijn snelheid beperkt, en hoef ik niet voortdurend bij te remmen. Het is geen onverdeeld genoegen zo, vijf kilometer naar beneden over losse steenslag, permanent gevaar op mijn snufferd te gaan. Een tegenligger, een fietser die over de ellendeweg omhoog kruipt. Ik vraag hem hoe lang de weg nog zo blijft. “Pas trop loin”, zegt hij (geloof ik – het converseert wat moeilijk tussen een dalende fietser die zijn oog op de weg gericht wil houden, bang om te vallen, en een andere fietser die zich in het zweet klimt, en zich afvraagt of zijn banden de steenslag wel zullen overleven). Inderdaad, een paar honderd meter verderop is de weg weer in oude glorie te bewonderen. Hij zal dus inderdaad “pas trop loin” hebben gezegd. Zo is me een fraaie afdaling door de neus geboord. Ik ga nog twee, misschien drie kilometer naar beneden (ben nu al aardig in het dal geraakt, de wind heeft daar minder te betekenen), en moet vervolgens weer omhoog, een col op die de angstaanjagende naam ‘col de ‘l homme mort’ draagt. Nu zijn er wel 20 cols met die naam in Frankrijk, als je het mij vraag, en ook als je het me niet vraagt, waarvan ik er zeker 5 heb beklommen, maar de ervaring leert dat ze nooit zoveel voorstellen. Dat geldt ook nu. Het is een redelijk makkelijke klim omhoog – of rijd ik zo gemakkelijk? Mijn grootste kransje is nog steeds schoon… Alleen de laatste paar honderd meter zijn even pittig; ik kan al zien waar het hoogste punt is, en waag het erop: ik ga even op de pedalen staan, als een bejaarde Armstrong omhoog.

Op zoek naar koffie

Dan een heerlijke afdaling naar Ceilhes, waar ongetwijfeld de koffie op mij wacht. Het is per slot een plaatsje van enige omvang, daar valt wel een koffietent te verwachten. De bar in de hoofdstraat zit dicht, dat belooft niet veel goeds. Iets verderop staat een bord: links de hoek om moet er een bar zijn bij het recreatiemeertje. Inderdaad, de bar is er, maar potdicht. Ik neem toch plaats, eet een banaan en een koek, en verbeeld mij dat ik koffie heb. Een zestal fietsers komt aangereden, duidelijk ook op zoek naar koffie. De boel is dicht, meld ik ze. Geen koffie, geen bediening, niks. Ze draaien om en proberen het in het dorp. Misschien is er wat te vinden als ze de dorpskern ingaan? Na een kwartiertje vertrek ik weer, andermaal (net als afgelopen maandag) de col de Notre Dame op. Als ik omkijk zie ik een metertje of 500 achter me het groepje fietser aankomen, of verbeeld ik het me? Zal ik wachten? Nee, klimmen moet toch in het eigen tempo, laat ik maar gaan. Het gaat lekker, en het is waar: het klimt makkelijker als je een col al kent. Halverwege eerst een stukje naar beneden, weet ik, en daarna weer omhoog, steiler nu dan de eerste helft van de beklimming. Het is inmiddels aardig warm geworden; blij dat ik vanmorgen tegen achten al ben vertrokken, toen het nog een beetje koel was. Waar blijft het zestal nu? Misschien waren ze het toch niet. Ik blijf bovenop de col nog even staan wachten. Jawel, daar komen ze aan. Mijn ego doet goede zaken: ze zijn verder achterop geraakt; blijkbaar heb ik niet slecht geklommen. Ik wacht even op ze, we praten wat. Waar ze vandaan komen (St. Affrique), en of ze vaker met deze groep fietsen (ja). Of ik uit België kom (nee), of er in Nederland helemaal geen heuvels zijn (amper, de hoogste dik 300 meter in Limburg). Waar ze heen gaan (St. Affrique), waar ik heen ga (St. Maurice). We fietsen een stukje samen op. Ik schat hun leeftijden (de jongste tegen de 40, de oudste rond 55), bekijk hun fietsen (een Peugeot, verder mij onbekende merken, waaronder een zeer oud model, bereden door de jongste van het stel). In de afdaling – weer met tegenwind – pakken ze mijn wiel; gelijk hebben ze, laat die Hollanders het werk maar doen. Dan nog een klim, de laatste van vandaag. Roodshirt en blauwshirt springen na 100 meter klimmen achter me vandaan, en slaan een gaatje. Laat maar gaan, ik moet mijn eigen tempo rijden, niet forceren tegen die pezige mannetjes, realiseer ik me. Het gaatje blijft beperkt tot 30 meter, meer niet. Ik zou harder kunnen; doen of niet? Toch weer dat opspelende ego – wat maakt het nou uit of roodshirt en blauwshirt eerder boven zijn? Niets. Ik blijf mijn eigen tempo rijden. Roodshirt heeft inmiddels blauwshirt gelost. Ik loop nu vanzelf op blauwshirt in, en langzamerhand kom ik ook dichterbij roodshirt. De 40-jarige op Zeer Oud Model Fiets komt ook nog bijna langszij, maar haakt net voor de top af. Ik ben inmiddels bij roodshirt. Is mijn ego toch weer blij. We houden in, om de achterblijvers te laten bijkomen. Tja, dit is wel wat anders dan het rouleurswerk op het vlakke met de Toerclub; als je hier met een groepje gaat fietsen, is het het beste bovenop de col te wachten. We kletsen nog even wat, voordat de afdaling echt begint. De heren wensen het blijkbaar rustig aan te doen, bergafwaarts, ik pak mijn eigen tempo, en ben toch al gauw twee minuten eerder beneden dan de groep. Bij de splitsing wacht ik ze even op; we wisselen nog een paar woorden voor zij linksaf slaan, en ik rechts, en wensen elkaar een ‘bonne route’. Nog acht kilometer, en ik ben weer bij mijn vertrekpunt, de zes hebben nog 15 kilometer voor de boeg.

In de remsporen van Tim Krabbé

Vrijdag, nu moet het gebeuren. De Mont Aigoual staat op het menu. Zeven uur op, en kwart voor acht bepakt en bezakt, en vooral befietst, in de auto, op weg naar Lanuéjols, van waaruit ik de tocht wil starten. Nou ja, de tocht… ik pak maar een deel van de route die in Tim Krabbé’s De Renner staat beschreven. Waar ik de draad oppak hebben Krabbé, Reilhan, Lubusque en de anderen al ongeveer de helft van de rit achter de kiezen. Volgens de kaart zal mijn ommetje ongeveer 65 kilometer zijn.soest1 In de auto onderweg zie ik het landschap veranderen; vanaf Nant ongeveer wordt het ‘Gorges du Tarn-achtig’: diepe rivierkloven, scherp afstekende rotspunten, smalle weggetjes die zich als een slordig neergelegd lint naar boven kronkelen, haarspeld na haarspeld. Tegen negenen komt mijn doel in zicht: Lanuéjols. Er staat een mooie wegwijzer met Mont Aiguoual; ik volg dat bord, en kan de auto parkeren op een aardig pleintje, onder de platanen. Het is nog rustig in Lanuéjols. Overal borden ‘Lanuéjols en fête’, maar van enig feest is nu nog niets te merken. Hopen dat er geen braderie of markt is op het pleintje als ik straks terugkom. Water uit de koeltas in de bidon, twee bananen en drie repen in de achterzak, nektasje met portemonnee en persoonsgegevens om de nek, telefoon in de zadeltas, zonnebril en helm op, handschoenen aan – en gaan met die bananen. Lanuéjols ligt op zo’n 800 meter hoogte, de klim gaat vandaag naar 1567 meter, daarna bergafwaarts naar Meyrueis, de finishplaats van De Renner, op een metertje of 500, ik klim vervolgens weer omhoog naar 1000 meter om daarna weer af te dalen naar Lanuéjols. Dan smokkel ik wel: de Renner Himself daalt eerst af van Lanuéjols naar Trèves, en klimt vervolgens omhoog om op de D996 naar de Mont Aigoual uit te komen. Het scheelt 15 kilometer rijden en 400 meter hoogteverschil overbruggen. Moet kunnen, vind ik, ik ben per slot van rekening al heel wat ouder dan Krabbé in zijn beste dagen. Het is negen uur, nog een redelijke tijd om te starten, maar het begint al aardig warm te worden. Ik gok er maar op dat ik geen windjackje nodig heb bij de afdaling van de Mont A. Het is nu al 18 graden, tegen de tijd dat ik boven ben zal het al wel een graadje of 25 zijn, met 5 graden correctie voor de hoogte, even rekenen – nee, geen jack nodig. De weg begint meteen te stijgen, een procentje of 5. Ik kijk om, en zie in mijn ooghoek een fietser achter mij, op 100 meter afstand. Een andere Mont Aigoual-liefhebber? Blijkbaar niet, want als ik een minuutje of tien later weer achteromkijk is de fietser in geen velden of wegen meer te bekennen. Of ik heb hem er finaal uit gereden (laat ik daar maar vanuit gaan), of hij is linksaf geslagen, richting Meyrueis (is waarschijnlijker, maar klinkt minder goed). De eerste 15 kilometer vallen me alleszins mee. Soms een heel licht stijgingspercentage, 2 à 3 procent, soms iets meer, 5 tot 6 procent misschien, maar nergens wordt het echt zwaar. Pas na een splitsing, als ik linksaf sla naar de Col de la Serèreyde, gaat het stijgingspercentage iets verder omhoog, maar meer dan een procent of 7 lijkt het niet te worden. Of Van Soest rijdt weer fantastisch vandaag – zijn grootste kransje blijft tot de top van de Aigoual helemaal schoon. Weer een splitsing; links is een doorsteekje naar Meyrueis, rechts gaat het verder omhoog naar de top van de Aigoual, die overigens nog steeds niet te zien is, en ook tot honderd meter onder de top niet te zien zal zijn. We zitten nog onder de boomgrens. Het geeft altijd een extra kick de boomgrens te passeren, en over de kale toppen van het echte hooggebergte te rijden. Maar plotseling worden de boompjes kleiner en kleiner, de begroeiing neemt allengs af. Schuin langs de haarspeldbochten omhoog kijkend is nu de top van de Aigoual te zien, het weerstation dat bovenop de berg staat. Een paar slingers nog, en ik ben er. Echt steil wordt het niet. Waar had Tim dan moeten demarreren, om die verduvelde Reilhan eraf te rijden – schiet het door me heen De Aigoual is niet steil genoeg om zo’n wieltjeszuiger te lossen. En straks is het bijna alleen maar afdaling naar Meyrueis. Waar Krabbé en de zijnen direct weer naar beneden gingen, fiets ik nog honderd meter naar links, naar het weerstation en de ongetwijfeld bijbehorende bar en eventueel andere attracties. Een twintigtal auto’s staat geparkeerd, bezoekers die niet voldoende in conditie waren om Krabbé’s heilige berg op eigen kracht te beklimmen. Een klein, nieuw weggetje ontvouwt zich naar wat kennelijk het hoogste punt is. Een terras, zowaar. Ik kijk eerst nog even rond – prachtig uitzicht. De Aigoual is verreweg het hoogste punt in de wijde omgeving. De belendende toppen zijn alle rond de 1100 meter. Het is nog redelijk koel boven, een graadje of 17 wellicht, maar in de zon is het aangenaam. Aan de rand van het terras staat een collega-fietser. Hij is van de andere kant omhooggekomen, blijkt tijdens een kort gesprek. Ik vind dat ik een kop koffie heb verdiend, en installeer mij op het terras. Geen bediening, zelf naar binnen om koffie te halen. Er liggen Mont Aigoual-koeken met anijszaden op de toonbank, laat ik maar zo’n ding nemen bij de koffie. Even zien of mijn mobiele telefoon werkt – een gesprekje met Hans die nu vanuit Frankrijk onderweg is naar Nederland lijkt me wel wat. Maar er is hier geen ontvangst; de hele Cévennen lijken van de zegeningen van moderne telecommunicatie verstoken. Goed, dan moet ik mijn heldendaad later maar uit de doeken doen. Nog even rondkijken, en naar beneden. Heerlijke afdaling, geen al te scherpe bochten, niet te steil, af en toe meetrappen, af en toe remmen – wat een beloning voor de inspanningen van de klim. Er zijn nogal wat mountainbikers op de weg; een racefietsje daalt een stuk sneller. Daling naar de Col de Perjuret, vandaar naar links, verder het dal in naar Meyrueis. Er zijn hier al meer wedstrijden geweest – dat is te zien aan de op de weg gekalkte namen. Deze weg is een stuk slechter onderhouden dan het eerste deel van de afdaling. Het is hier uitkijken om niet in een gat te rijden. Kennelijk heeft niemand de moeite genomen om een gaatje dicht te rijden. Meyrueis; even op adem komen na de afdaling. Een drukte van belang hier. Markt. Toerisme. En nog steeds geen GSM-ontvangst. Bij een banketbakker koop ik een smakelijke vruchtentaart, en een soort krentenbol. Energie voor de laatste klim omhoog, terug naar Lanuéjols. Een pittig stuk, steiler dan wat ik tot nu toe heb gehad, en bovendien: de temperatuur is inmiddels opgelopen tot dik dertig graden. Het gaat, het gaat goed zelfs, maar mijn grootste kransje houd ik niet meer schoon. Dat zal de mecanicien niet leuk vinden. Toch maar terug naar het lichtste verzet, de 28 erop. Bloedhete zon in de eerste kilometers na Meyrueis, later gelukkig een dennenbos. Rechtsaf de D47 op bij een splitsing, richting Lanuéjols. Eerst naar dik 1000 meter, daarna nog twee kilometer dalen. Een kronkel door het dorp, en ik ben weer op de plaats waar ik vertrok. Volgende keer misschien de andere helft van de tocht. Van Lanuéjols en fête is niets te merken. Ik vier mijn eigen fête, met koffie en menthe à l’eau op een terras, waar keiharde rockmuziek het café uitwaait. Zou Krabbé ook zo ontvangen zijn? Terug met de auto. Her en der bordjes die de weg naar de weg naar de Mont Aigoual wijzen. Van mij mogen ze ‘m Mont Krabbé noemen.

Jan Paul van Soest

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *